De lichtdrager

Het is donker in het bos. Je haakt telkens vast in zichtbare en onzichtbare takken. Als je jezelf net hebt losgetrokken, prikt er een doorn door je mouw in je arm. Je struikelt over wortels en er zwiept een tak in je gezicht. Het lopen gaat loodzwaar en je wordt er doodmoe van. Soms kom je op een open plek en kun je even op adem komen, maar overal rondom je is het bos weer even dicht en donker: als je verder wilt, zul je er toch weer in moeten. Er lijkt ergens een lichtje te schijnen, maar hoe hard je ook je best doet er dichterbij te komen, het lijkt zich steeds te verplaatsen – weer verder van je af…

‘Kies maar,’ zegt zij, ‘Het is jouw weg. Als je wilt, loop ik een stukje met je mee.’

Schijnbaar uit het niets komt er een vrouw naast je staan. Zij ontsteekt een lantaarn en houdt die voor je omhoog. Als in een wonder zie je ineens allemaal verschillende paadjes lopen – smalle, kronkelende, maar ook brede, rechte paden – en ze gaan alle kanten op. Hoe kan het dat je die nooit eerder hebt gezien? Vragend kijk je de vrouw aan. Zij glimlacht en houdt de lantaarn nog wat hoger, zodat je verder de paden in kunt kijken. ‘Kies maar,’ zegt zij, ‘Het is jouw weg. Als je wilt, loop ik een stukje met je mee.’ Je knikt en besluit een pad met bloemen erlangs in te lopen. Achter je volgt zwijgend de vrouw. Het schijnsel van haar lantaarn wat flauwer nu ze hem omlaag houdt langs haar lichaam, maar genoeg om rustig door te kunnen lopen. En haar stille kalmte vertelt je dat je veilig bent. Elke stap weer…